Kamergenoten

   

 

In drie maanden ziekenhuis in verschillende perioden en op verschillende afdelingen heb ik met vele lotgenoten een kamer moeten delen. Er was geen mogelijkheid tot kiezen, je werd er als het ware mee geconfronteerd en daardoor was je tot elkaar veroordeeld. Kamergenoten waren er gewoon en behalve het verblijf van de zieke medepatiënt betekende dat ook het meegenieten van de aanwezigheid van hun bezoek. Je moest het er maar mee doen, of je dat nu leuk vond of niet. Het bleek een bonte verzameling van de meest uiteenlopende typen, een afvaardiging van landgenoten maar dan in een ziekenhuisbed.

 

VU-docent

De eerste kamergenoot was net een dag voor mij, plotseling opgenomen op de afdeling oncologie. Op diezelfde dag had hij allerlei onderzoeken gehad en net op het moment dat ik mijn kamer door een verpleegster toegewezen gekregen had, kreeg de man de uitslag van de onderzoeken te horen. Zijn vrouw en dochter zaten er ook bij en ik werd door de arts vriendelijk doch dringend verzocht hen alleen te laten.

Later werd mij duidelijk dat er heel veel mis was met deze man. Een zeventigjarige, godvrezende man, jaren docent aan de VU geweest en nu opgescheept met een kanker waar eigenlijk niets meer aan te doen viel. Genezing was onmogelijk, want er was kanker aan de alvleesklier gevonden en dat was een volgende uitzaaiing in een veel langer durend proces. Het ging de laatste tijd thuis met hem helemaal niet zo slecht, maar plotseling kon hij dagen geen hap eten meer binnenhouden en met uitdrogingsverschijnselen was hij de vorige dag opgenomen. Zijn doodsbericht had hij even te voren te horen gekregen en de eerste schok had hij met zijn vrouw en dochter net verwerkt.

Meestal verliet ik de kamer als er bezoek kwam voor hem of voor mij. Die vrijheid heb ik alle dagen op de afdeling oncologie tijdens de kuren kunnen nemen.

Desondanks heb ik veel van deze kamergenoot ongewild meegekregen. Hij was al meerdere jaren gepensioneerd en vervulde een heel belangrijke rol in huis. Zijn vrouw was al tientallen jaren bedlegerig en kon bijna niet zelfstandig wonen vanwege een chronische ziekte aan haar spieren. Zij kwam altijd met een gemotoriseerde rolstoel de afdeling oprijden als zij op bezoek kwam. De kamergenoot maakte zich vooral zorgen om zijn vrouw, want hoe zou het nu zonder hem verder moeten.

Zijn vrouw was bepaald niet de makkelijkste persoon. Hij maakte ongewild om allerlei onbenulligheden ruzie met haar, liet dat niet aan mij merken, maar uit telefoongesprekken met anderen kon ik opmaken dat het om de hoeveelheid pyjama’s en een nieuwe zachte tandenborstel ging. Hij had ze nodig en zij vond van niet. Hij was daar duidelijk teleurgesteld over en beklaagde zich ten opzichte van andere familieleden over zoveel onbegrip.

Met zijn vrouw nam hij de verschillende kerkelijke diensten door op zondagochtend. Zij vertelde van de preek die zij gehoord had en hij over wat hij op de ziekenhuisradio gehoord had.

De moed was nog niet helemaal opgegeven. Hij kon zijn familie niet zomaar achterlaten op dit moment en verlenging van leven was met een chemokuur nog goed mogelijk volgens de artsen. Op mijn vierde dag verliet hij ’s ochtends het ziekenhuis om enkele weken later een kuur te beginnen.

 

Hersentumor

Een halve dag kon ik alleen op de kamer liggen, maar aan het einde van de middag werd er een spoedgeval op een bed binnengereden. Hij werd na een bestraling in het ziekenhuis doodziek opgenomen, want hij was er alleen maar zieker van geworden. Aanvankelijk kon ik alleen maar van alles horen achter het gordijn dat om het bed geschoven was. De nieuwe buurman, nog onder de 60 jaar, was al langer kankerpatiënt en had sinds kort uitzaaiingen in zijn hersens. Het was een aflopende zaak, want het ging steeds slechter met hem. Het was onmogelijk om een gesprek met hem te voeren, want hij kon geen gedachten onder woorden brengen en zo verliepen de gesprekken met zijn vrouw ook. Zij sprak met en vooral tot hem en hij kon weinig anders zeggen dan jaja en hehe, leek zich verder in zijn lot geschikt te hebben. Ik heb geen poging gedaan om een gesprek met hem aan te knopen. Zelfs in zijn slaap bleef hij dezelfde onsamenhangende kreungeluidjes maken, niet meer dan hehehe als een soort verzuchting van een tevreden mekkerend schaap.

 

Cor

Bij het begin van de tweede kuur werd ik alleen op een speciale kamer gelegd, de enige die nog voorhanden was op de afdeling. Het was de researchkamer die normaal alleen voor wetenschappelijk onderzoek bij patiënten gebruikt wordt. Omdat het weekend was kon ik daar de eerste dagen liggen. Ik zou daar aanvankelijk alleen komen te liggen, maar de eerstvolgende ochtend, zaterdag werd er vanaf de eerste hulp een kamergenoot binnengereden. Cor, Druiven of iets wat daar op lijkt van achteren. Een bijzonder vriendelijke, gezellige kamergenoot en terugdenkend aan de afgelopen drie maanden diegene die mij als persoon en zijn ziekte het meest aangegrepen heeft. De meest deerniswekkende persoon, want wat was hij er beroerd aan toe en hoe kort zou hij nog te leven hebben. Al dagen kon hij geen enkel voedsel meer binnenhouden en bijna gedehydreerd was hij opgenomen. Mager als een lat, woog nog amper 50 kg en toch ondanks een sombere prognose de moed erin houdend. Tegen beter weten in ongetwijfeld, maar zich telkens vermannend ging hij weer beginnen aan een volgende maaltijd.

Hij had darmkanker met uitzaaiingen in meerdere organen. In het ziekenhuis in Alkmaar hadden zij hem al geen enkele hoop meer gegeven, ze konden niets meer voor hem doen. Cor leefde van de ene dag naar de andere, hij zou zelfs al blij zijn als hij de kerst zou halen (zes weken later) of nog mooier, zijn verjaardag in maart. Het infuus had hem al snel weer bij zijn positieven gebracht en na een dag vloeibaar voedsel kon hij weer overgaan op vaste maaltijden. Hij at zoveel als hij kon, want hij moest van zijn vrouw en familie weer snel aansterken. Het liefst nog een lekker broodje kroket of een soepje. Met een rolstoel of een soort rollator deed hij nog voorzichtige passen buiten het bed. Hij at met smaak en enthousiasme, maar ondanks dat kon het gebeuren dat hij zonder dat hij het voelde aankomen de hele handel er weer uitkwam. Een keer, de derde dag dat we samen waren en ikzelf op het punt stond weer veel minder eetlust te krijgen door de chemo, zaten we samen te eten en probeerden we er het beste buiten bed aan een tafel van te maken. Hij was al wat eerder begonnen en net toen ik wilde aanschuiven moest hij onverwacht zijn maag boven een kartonnen spuugbakje legen. Ik wist niet hoe snel ik een verpleegster moest bellen en zelf op veilige afstand gaan zitten, want het benam mij terstond alle eetlust. Alle kots werd toch nog keurig in twee bakjes opgevangen en zelfs zonder een slokje water tussendoor ging Cor weer verder met zijn maaltijd. Want hij moest toch aansterken? Eetlust op zich speelde kennelijk geen rol meer bij het eten, er weerhield hem niks om gewoon te kunnen eten, alles smaakte even goed en de remmen kwamen te laat van binnen uit.

Een dag later, waarschijnlijk dinsdagochtend werd ik naar een andere kamer overgebracht, want mijn plaats behoorde een andere patiënt toe. Cor mocht nog een dag blijven liggen en een dag na mijn kamerwisseling was hij naar huis vertrokken.

 

Prostaat

Ongeveer twee dagen heb ik met een oudere, goed uitziende man op de kamer gelegen. Ik weet niet meer zoveel van hem, wel dat hij uit Hoorn kwam en een directiefunctie gehad had. Hij was al een lange tijd kankerpatiënt en leed aan een hardnekkige prostaatkanker. Al vijf jaar was het redelijk gegaan, maar nu was hij weer opgenomen omdat de pijn heviger geworden was en er nieuwe uitzaaiingen geconstateerd waren, onder andere in zijn botten. Er moest bepaald worden hoe hij verder behandeld zou worden, misschien nieuwe chemokuren. Het ging hem allemaal niet gemakkelijk af. Lopen kon hij nog met de steun van een kruk, maar meestal werd hij met een rolstoel vervoerd. Ondanks alles was hij er opgewekt en vrolijk onder gebleven en tot een half jaar geleden lukte het hem nog om met zijn vrouw op het IJsselmeer te zeilen. Zijn lust en zijn leven, maar of dat voor de toekomst weggelegd zou zijn was uiterst onzeker geworden.

 

Ervaringsdeskundige

Op 5 december, vier dagen na het beëindigen van de 2e chemokuur, werd ik onverwacht via de spoedeisende hulp opgenomen in het ziekenhuis op de afdeling vaatchirurgie. Het liep tegen zeven uur in de avond-  het was een alles behalve heerlijk avondje geworden. Toen ik er eenmaal goed en wel lag kon ik alleen maar even hartstochtelijk vloeken over de pech die mij overkomen was. Er lagen twee mannen op de kamer en de wat jongere van de twee verwelkomde mij enthousiast en leek direct een praatje te willen aanknopen. Voor mijn gevloek toonde hij alle begrip en hij liet mij rustig tot mijzelf komen voordat hij het opnieuw probeerde.

In alle opzichten was hij – ongeveer 55 jaar oud – een echte ervaringsdeskundige op het gebied van het ziekenhuisleven. Eerst was hij zelf ziekenhuisverpleger geweest en had hij ook op de ambulance gewerkt. Hij kon mij veel vertellen over de kwaal waarvoor ik opgenomen was – bloedstolsel in mijn knie- en gaf hij mij ongevraagd adviezen hoe ermee om te gaan.

Met zijn eigen gezondheid was hij al jaren aan het sukkelen. Nu lag hij in het ziekenhuis vanwege een ernstige ontsteking in zijn darmen, een kwaal waarvoor hij al vaker opgenomen was. Een noodzakelijke operatie was al vaker uitgesteld, maar nu verheugde hij zich er bijna op dat het over enkele maanden alsnog zou gebeuren. Anders zou de kwaal steeds opnieuw terugkeren. Hij was blij dat het nu zo snel goed met hem ging en dat kwam omdat hij het advies van de dokter opgevolgd had om iets aan zijn conditie te doen. Hij was twee maal per week gaan zwemmen en dat betaalde zich nu goed uit. Hij had een jaar eerder een hartinfarct gehad en daar zat ook een verhaal aan vast. Midden in de nacht had hij bepaalde klachten gekregen die hij zelf vanwege zijn ervaring als verpleegkundige herkende als atypische symptomen voor een hartinfarct. Hij was door zijn vrouw naar de eerste hulp gebracht, wist de dienstdoende verpleging ervan te overtuigen wat er vermoedelijk met hem aan de hand was en daardoor was men op tijd met de juiste behandeling begonnen. Zo had hij min of meer zijn eigen leven gered. Een gezellige kamergenoot, daar niet van.

Buiten bezoektijd kwam zijn zuster dagelijks een praatje maken aan zijn bed. Ook een gezellige dame, zijn jongste zus, maar wellicht van hetzelfde formaat als hij zelf geweest zou zijn als hij de kans gekregen had: met duidelijk overgewicht, minstens tien jaar jonger dan hij, want ze had het regelmatig over haar kinderen van een leeftijd die de basisschool verried. Daarnaast spraken ze eindeloos over het automatiseringsvak, een liefhebberij van mijn kamergenoot en de professionele bezigheid waarmee zij belast was in de VU. Hij had er meer dan gemiddelde kennis van en was er velen mee van dienst want zo gauw als hij het ziekenhuis verlaten had zou hij een goede vriend en buurman helpen met de installatie van een nieuwe computer.

Het ging inderdaad goed met hem. Hij mocht vijf dagen eerder naar huis dan ik.

 

Het voordeel van ziekenhuiseten

De andere kamergenoot was een oudere man die de 70 waarschijnlijk gepasseerd was. Hij sprak niet veel en met hem had ik weinig contact. Hij was wel een regelmatig ziekenhuis bezoeker, maar ik weet niet meer wat zijn kwalen waren. Met hem heb ik enkele dagen de kamer gedeeld. Zijn vrouw kwam altijd op een bezoektijd in de middag en nam dan haar eigen boterhammetjes mee, die zij gezellig gelijktijdig met haar mans maaltijd nuttigde. Ziekenhuis en eten. Sommige mensen genieten er zelfs van en meneer van der Molen bleef op de dag van zijn ontslag expres zo lang wachten, dat hij de maaltijd nog even mee kon nemen. Dan hoefde hij thuis niet meer warm te eten, dat vond hij wel net zo handig.

 

Maagperforatie

Na een halve dag alleen op de kamer gelegen te hebben, werd op zondagochtend vroeg een jonge scholier de kamer opgereden. Via de spoedeisende hulp. Maagperforatie. Pas na een dag lukte het om enige woorden met hem te wisselen, daarvoor lag hij constant onder zeil. Het was zo’n jongen die bij zijn ouders woonde en als een klein kind benaderd leek te worden. Waar de ouders erg bezorgd over waren en minstens twee maal per dag langs kwamen. Met veel bezoek dus, ook veel jongeren, maar die zich voor hun leeftijd erg rustig, bijna keurig gedroegen. Het leek echter eerder onhandigheid en verlegenheid dan bewuste aangepastheid. Het leek vaak net alsof men niet wist wat ze tegen elkaar konden zeggen waarbij ze maar wat stilletjes voor zich uit staarden. Op deze manier vond ik het vele bezoek geen enkel probleem.

 

Blozend onschuldige ogen

Op dezelfde dag dat ik toch nog onverwacht kon vertrekken zou een laatst bijgekomen kamergenoot van mij geopereerd worden. Een oudere man van boven de 70, groot van stuk met bijna blozend onschuldige ogen. Het zou zijn eerste en ook nog zware operatie worden aan de aorta. Een man die nerveus en onwennig de dag tevoren steeds afwezig was. Zijn ziekenhuistelefoon rinkelde regelmatig, terwijl hij zelf meestal elders vertoefde. Het bezoek van de andere kamergenoot nam vaak de hoorn voor hem op en meldde daarbij zijn afwezigheid. Op de ochtend van de operatie was hij nuchter gebleven en wachtte hij op het moment dat hij naar de operatiekamer gereden zou worden. Plotseling verscheen een arts aan zijn bed met het ongelooflijke bericht dat de operatie niet door kon gaan. De reden daarvoor was dat er geen IC-bed voor hem beschikbaar bleek. Er waren die nacht veel spoedgevallen binnengekomen en daardoor waren alle bedden bezet. Ik heb niet eerder iemand zo beteuterd en vragend zien kijken als deze ochtend. Het verplegend personeel leek zich er ook niet goed raad mee te weten, eigenlijk deelde iedereen de verlegenheid met deze onverwachte situatie. Toen heb ik hen maar geadviseerd om hem een ontbijt op bed te brengen, dan leek het net alsof er iets te vieren viel, bij wijze van genoegdoening.

 

Drie dagen later startte ik met de derde chemokuur. Ik begon de vrijdag nog met een kamergenoot, maar deze was voorbarig opgenomen en kon dezelfde middag naar huis, waarna hij later in de week alsnog een behandeling zou ondergaan. Ik herinner mij niets meer van deze man. De rest van de vijf dagen bleef ik alleen op de kamer. Een luxe positie en dat zo kort voor de kerst. De daaropvolgende week zou het wel druk worden.

 

Taxi

Op de eerste vrijdag van het nieuwe jaar begon ik met de vierde kuur. In de loop van de middag werd een man van mijn leeftijd, we hadden hetzelfde geboortejaar, per ambulance de kamer binnengereden. Hij kwam helemaal uit Eindhoven en was op aanraden van familieleden naar de VU gegaan om de beste behandeling voor zijn ziekte te kunnen krijgen. Ik weet niet wat hem precies mankeerde, maar hij had in ieder geval last van kortademigheid gekregen en was aangesloten op een longdrain. De triestigheid straalde op een of andere manier van hem af en hij maakte een beetje slonzige indruk. Hij was al veel en vaak ziek en zijn vrouw bleek enkele jaren tevoren aan kanker te zijn overleden. Hij zat thuis met vier kinderen, waarvan de jongste 16 jaar was en de anderen tot 5 a 6 jaar ouder. Eigenlijk kon hij de kinderen niet alleen thuis laten want dan zouden ze er een rommeltje van maken, alsof de boel afgebroken kon worden. Aan die kinderen had hij niet veel meer dan zorgen, geen van hen had een rijbewijs, dus kwam het op buren en familie neer als zij naar Amsterdam zouden willen komen. Maar voor zijn vervoer als patiënt was er geen enkel probleem: alle kosten werden na aftrek van een bepaalde, niet al te hoge, jaarlijkse drempel vergoed door het ziekenfonds. Hij liet zich daarom telkens per taxi van Eindhoven naar Amsterdam vervoeren. Na drie dagen kon hij weer naar huis.

 

Björn

Mijn laatste kamergenoot op de afdeling oncologie was een echte lotgenoot. Hij had ook zaadbalkanker, maar de impact van de kwaal was voor hem van een heel andere orde. Hij was pas 19 jaar, dus in een compleet andere levensfase dan ik en bij hem zou de ziekte andere consequenties hebben dan bij mij. Hij was nog aan het begin van zijn leven op liefdes- en voortplantingsgebied en daarbij speelde de seksualiteit een veel belangrijker rol. Hij had zijn sperma laten invriezen, want hij wilde de kans behouden om kinderen te krijgen en hij zou zeker een prothese laten plaatsen op de plek waar hij zijn bal verloren had.Hij zou zich anders dood schamen.

Björn kwam uit Purmerend. Sprak met een onvervalst Amsterdams accent, zijn moeder leek een Jordanese. Hij was volgevreten en bloednerveus. Rookte als een ketter, maar was van plan aan het roken de brui te geven in de komende periode. Hij kwam voor zijn eerste chemokuur en was heel benieuwd hoe het hem zou vergaan. Toen hij hoorde dat ik onderwijshulpverlener was en begrepen had wat dat inhield, bekende hij direct altijd een lastige leerling te zijn geweest en dat hij jaren op een LOM- school gezeten te had. Op een of ander manier schiep het vertrouwen bij hem.

Bij de eerste medische controle vertelde hij dat hij de avond tevoren zich samen met vrienden in de kroeg volgegoten had met bier en dat dat vast aan hem te merken zou zijn. Misschien kwam hij wat nerveus over daardoor. Hij was wat overmatig in alles. Het ziekenhuis eten leek hem bij voorbaat niets. Hij begreep niet veel van de bedoeling van de invulformulieren voor de maaltijden en nam dit aanvankelijk niet serieus. Kwam wel drie keer met een vette patat uit de kantine boven op onze kamer zitten de eerste dag.

De daaropvolgende dag zou hij starten met de kuur. Dat ging echter niet door want enkele gegevens van hem, die in het ziekenhuis in Purmerend verzameld waren zagen er tegenstrijdig uit. Er moesten opnieuw enkele testen gedaan worden, een CT-scan en bloedonderzoek. De tumormarker was eigenlijk te laag voor een kuur. Voor Björn betekende het een tweede nerveuze dag waarin hij moest wachten op het besluit omtrent een kuur. Hij maakte een studie van de mogelijkheden om te roken in het ziekenhuis, maar hij kon de wel bestaande gedoogplekken niet vinden. Minstens 5 keer ging hij die dag zijn laatste sigaret roken, maar zolang hij toch niet aangesloten was op een infuus, kon hij zich nog vrijelijk bewegen. Ondertussen verstouwde hij zakken vol met snoep er doorheen. Als een verwend kind van een jaar of 8. De avond voor mijn vertrek werd hij aangesloten op een infuus. Het dreigde direct mis te gaan omdat hij schrok van de naald die er aan kwam en hij zo gespannen was dat er nauwelijks geprikt kon worden. Na enkele rustgevende bewoordingen van de verpleegster lukte het wel.

De dag van mijn vertrek zou hij beginnen met de chemokuur. Toen ik hem veel succes en sterkte toewenste was hij net begonnen met de eerste prehydratie.

 

Kogels

De laatste opname was voor de operaties aan longen en de verwijdering van de diepliggende lymfeklier. Ik begon alleen op de meest achterliggende kamer van afdeling 6B. Tijdens de eerste de beste nacht werd tegen de ochtend de rust verstoord door een bed dat met een patiënt vanuit de eerste hulp binnengereden werd. De man sprak slecht Nederlands en sliep ongeveer de hele dag. Hij had een gebroken heup en mocht minstens zes weken niet steunen op het been aan de gekwetste zijde. Bij de eerste woorden die de man van Turkse afkomst tot mij richtte, probeerde hij mij iets duidelijk te maken, waar ik weinig van begreep. Hij had het over een kogel in zijn been. Ik liet het voor wat het was, maar begreep later ’s avonds dat de man bij een schietpartij betrokken was geweest en de breuk in zijn heup daarbij opgelopen had. Hij kreeg bezoek aan zijn bed van enkele rechercheurs en een tolk voor de vertaling om een gesprek mogelijk te maken. Wel drie kwartier waren ze met hem bezig geweest om enkele zaken op een rijtje te krijgen. Hij speelde de vermoorde onschuld en hij was het enige slachtoffer, kende de daders niet en had geen idee wat er nu gebeurd was. Hij was vanuit een auto beschoten. Op de suggestie dat hij toch nooit zomaar beschoten zal zijn wilde hij verder niet ingaan.

 Het lukte verder niet om tot een redelijk gesprek met hem te komen. De tweede dag nadat hij gebracht was, werd hij voor een vertrouwelijk gesprek buiten de zaal gereden met een rolstoel. Er werd niet al te zacht gesproken, wellicht omdat de communicatie met horten en stoten gevoerd werd. Er was wel weer een tolk bij, maar dat bracht geen makkelijk lopend gesprek tot stand. Een ding was mij spoedig duidelijk: onze Turkse vriend zou worden over gebracht naar het penitentiaire ziekenhuis in Scheveningen en daar in verzekerde bewaring gesteld worden. Dat gebeurde diezelfde avond per ambulance.

 

Michael

Zaterdagavond, de tweede dag van mijn verblijf voor de operaties, werd een jonge man de kamer ingereden. Ook hij kwam van de eerste hulp af en rond de tijd dat ik ging slapen had hij zich er goed genesteld. Hij heette Michael. Een aardige jongen die al veel ziekenhuisellende achter de rug had. Hij had de ziekte van Crohn, een erfelijke, chronische darmontsteking, die hem al maandenlang aan het bed gekluisterd had. Hij was net enkele dagen thuis geweest, totdat hij weer hoge koorts gekregen had en door zijn moeder naar het ziekenhuis gereden was. De ontstekingen waren weer op gaan spelen en hij was er opnieuw beroerd aan toe.

Michael was 28 jaar en was verzot op elke vorm van aandacht. Hij kletste dus graag tegen mij aan en vertelde op een onbevangen manier allerlei tamelijk bizarre verhalen over zichzelf. Hij was gek op autorijden en bezeten van autoraces. Op zijn 16e was hij echter aan het joyriden geweest met de auto van zijn vader, had daarbij een ernstig auto ongeval veroorzaakt  en mocht sindsdien geen autorijlessen nemen. Hij had daarom geen rijbewijs.

Hij was een lange tijd glazenwasser geweest en was heel goed in rugby geweest, speelde ooit in een topteam. Was ook een tijd lang nachtportier van een discotheek en verdiende in die tijd heel veel geld. Gebruikte toen dagelijks cocaïne en maakte het geld net zo makkelijk op als dat hij het verdiende.

Hij sprak mij altijd aan met “buurman”. Meneer paste kennelijk niet bij mij en dat leek mij ook geen beste optie. Als hij enthousiast iets wilde vertellen, was het altijd: ”buurman, hoor eens….” Buurman luisterde alleen als hij er zin in had, anders zette hij zijn mp3-speler op of de koptelefoon van radio of  televisie.

Michaels moeder kwam elke dag op bezoek. Zij was een echte Amsterdamse van middelbare leeftijd en maakte zich grote zorgen om haar zoon. Zij voorzag hem dagelijks van lekker eten. Het werd in dank afgenomen en hij at er smakelijk van, terwijl moeder er zwijgend bij zat. Het had altijd iets ongemakkelijks als ik die twee bij elkaar zag zitten. Moeder wist niet waar zij kijken moest en hij ging ongegeneerd zitten eten. Michael had ook een hoop goed te maken. Voor zijn doen zag hij er broodmager uit, want hij was wel 40 kilo lichter dan voor zijn ziekte, maar toen had hij last van zwaar overgewicht. Op school werd hij altijd gepest met zijn te dikke voorkomen, maar daar kon ik mij nu moeilijk iets bij voorstellen.

Van de verplegende dames en meisjes probeerde hij altijd de harten te stelen en grapjes te maken om aandacht te krijgen. Dit deed hij ook door constant snoepjes uit te delen, zelfs als dat gezien de drukte van het personeel helemaal niet goed uitkwam. Ook probeerde hij regelmatig lekkernijen te veroveren. Van een van de facilitaire dames versierde hij dagelijks ijsjes. Hij hield van lekker zoet en het liefste veel van dat alles. Het toppunt van de aandacht vragerij bereikte hij met een hele grote ballon. Die had hij van een halfzusje gekregen en had hij pontificaal naast zijn bed gehangen. Aan elke zuster die binnenkwam vroeg hij of zij hem ook zo mooi vond en daar werd meestal op gereageerd zoals je het bij en kleine jongen zou doen: “natuurlijk jongen, hartstikke leuk, ik wou dat ik er ook zo een zou hebben gekregen”. Bij Michael speelden de verpleegsters het spel gewoon mee, alsof ze een klein broertje een aai over zijn bol moesten geven.

                          II   Ga naar Home  II  kanker II  Bergsport II verhalen II osdorp II