Hollandse schouwburg

 

Een echt feestelijke indruk maakte de stad niet en het weer werkte ook niet mee. Op meerdere plaatsen waren wegafzettingen, maar ik kon mijn gebruikelijke fietsroute gewoon volgen. Zelfs op de Plantage Middenlaan kon ik mijn fiets in het rek tegenover mijn werk neerzetten.

Prins en Maxima, de jong verloofde geliefden, waren bezig met een kennismakingstournee door alle provincies van het land. Bijna alle delen van het land waren al door hen bezocht en nu stond Noord-Holland op het programma. Daarvan vormde Amsterdam de hoofdmoot en de heugelijke dag daarvoor was gepland op maandag de 10e september van 2001.

Onderweg naar mijn werk, ik fietste van het verpauperde Slotervaart naar de wat sjieke Plantagebuurt, moest ik onwillekeurig denken aan de roerige tijden van de jaren ’80 van de vorige eeuw. Dat waren nog eens rellen geweest bij de kroningsfeesten van onze huidige vorstin. Zou het er vandaag ook een beetje op lijken? Er wees werkelijk niets op en het koningshuis was bezig met een groot charmeoffensief en leek dankzij de meesterzet van de verloving van Prins met Maxima een beslissende slag om populariteit geslagen te hebben. Met de Argentijnse schoonheid had Beatrix een ideale schoondochter in huis genomen en het oranjevolk leek er in het hele land in te zwelgen. Nee, het zou een uiterst rustige dag blijven, zonder noemenswaardige incidenten.

Mijn fietstocht dwars door Amsterdam bevestigde deze gedachte. Het leek bijna op een doodgewone maandag. Op maandagen had ik altijd vergaderingen op het kantoor van de centrale dienst van mijn werk, waar behalve de directie en ondersteunende diensten de Ondernemingsraad van de stichting zetelde. Om twee uur in de middag hadden we altijd ons raadsoverleg.

Precies tegenover ons kantoor was de Hollandse Schouwburg gevestigd. Een historisch gebouw in verband met de tweede wereldoorlog, waar kort tevoren een tentoonstelling geopend was over gebeurtenissen uit deze tijd. Een bezoek van Prins en Maxima was daar om drie uur gepland. Het kantoor was al in rep en roer over het komende bezoek en sommige medewerkers hadden zich zelfs in oranje kledij gehuld, want het bezoek was voor hen het absolute hoogtepunt van deze dag. Daar mocht het werk wel even voor stilgelegd worden.

De OR zou zich hier niets van aantrekken. Er moest gewerkt worden, vergaderd over het nieuwe functioneringssysteem en de daaraan gekoppelde inschaling van het personeel. Stoïcijns hamerde de voorzitter de verschillende punten af. Er klonk wat rumoer uit de ruimtes naast ons, kleine gilletjes van enthousiasme en door de vele glazen deurruiten was het onmogelijk ons af te sluiten van de opwinding om ons heen. De OR kon zich niet goed meer concentreren en nieuwsgierigheid begon het te winnen van de vergaderdiscipline. De voorzitter besloot een pauze in te lassen en ik, de secretaris, stemde er met lichte, maar gepaste ergernis mee in.

Ik kon er ook niet meer om heen. Ik moest mee kijken. Ik wilde niet, ik wilde de oranje gekte niet volgen, ik wilde alles negeren en doen alsof het mij geheel koud liet. Hier hoorde ik gewoon niet bij. Ik had niets met dat koningshuis, sterker, ik was er op tegen dat het bestond en in stand gehouden werd, zo een archaïsche staatsvorm paste niet meer bij deze eeuw. Geboren worden als vorst en daarmee staatshoofd worden zonder enig vorm van toetsing door het volk, dat hoorde gewoon niet. Maar ik moest er dus naar kijken. Want er gebeurde iets op straat, ik hoefde alleen maar uit het raam te kijken en net als de personeelswerker, de boekhouder en de secretaresses een stoel te pakken en te zien of de tram er aan kwam. Want ze kwamen met de tram voorrijden. Een feestelijk versierde tram, wel een gewone tram 7, maar speciaal ingericht voor de prins en zijn aankomende gemalin en andere hoogwaardigheidsbekleders. 

De burgemeester had zijn bekende medaillon om en hij stapte als eerste uit. Er volgden anderen zoals de minister-president en toen kwam uiteindelijke het prinselijk paar naar buiten. Er werd gezwaaid. Natuurlijk naar alle mensen buiten. Maar ook keken Prins en Maxima omhoog. Naar boven, onze richting op. En ze zwaaiden naar ons en opgetogen, met veel gegil en gekrijs zwaaide iedereen terug.

Maar ik niet. Ik deed het niet. Ik zwaaide niet terug! Daar deed ik niet aan mee. Ik verzette mij als het ware. Ik voelde mij als een Arie Temmes die niet de Duitse soldaat de juiste weg naar het station wees. Wo is der Bahnhof? Do is der Bahnhof! Helemaal de andere kant op.

Ik zwaaide niet terug naar Maxima. Ze kon de pot op met Willem- Alexander. Geen gemarchandeer met de Oranjes, geen onzinnig gewuif en geen rituele dans van het klootjesvolk. Mijn verzetsdaad was klein, maar uniek in zijn soort. Niemand zal het gemerkt hebben, maar ik was er bijzonder mee ingenomen. De OR-vergadering kon weer rustig voortgezet worden.